10 tips om echt lekker te eten met aandacht voor dier en natuur

Dit is mijn missie: zo lekker en voedzaam mogelijk eten, zonder fratsen, zonder gedoe, met zorg voor dier en natuur.

Hoe je dat dan in praktijk doet, dat is weer een heel ander verhaal. Nu las ik bijna tien jaar geleden een stukje in de Volkskrant dat mij toen al aansprak. Het waren de tien geboden van goed eten, van Mac van Dinther. Het stukje hing jarenlang op de koelkast en vooral het laatste gebod zegt alles: Eet lekker.

Want die missie klinkt zo logisch, maar de praktijk is soms weerbarstiger: moet je dan zelf je tomaten kweken in je tuin, koop je ze bio uit Spanje, of niet bio uit een Westlandse kas? En maak je dan zelf je tomatensaus of koop je dat beter uit blik?

Goed, lekker eten: de keuzes zijn niet altijd makkelijk. En dingen die voor de hand liggen, zijn misschien toch in werkelijkheid iets complexer. Hoe hou je rekening met jezelf, met de aarde, met de boer? Waar doe je dan goed aan? Misschien helpen onderstaande 10 tips. Zoals: eet lokaal, eet biologisch, eet wat meer plantaardig, kook zelf, gooi geen eten weg. En mijn favoriet: ga niet op dieet.

Tip 1 Koop lokaal

Lokaal eten is niet hip! Ooit was alles wat we aten lokaal. Met de komst van vliegtuigen en vrachtwagens, koelcellen en wereldhavens is dat anders geworden. Het eten uit de supermarkt heeft doorgaans meer gereisd dan ik ooit in mijn leven zal doen.

Lokaal eten betekent bijvoorbeeld een menu van kip, ei, bonen en aardappels. Geen rijst, koffie en avocado’s. Misschien is dat een beetje te lokaal voor mij. De vraag is ook of het wel beter is voor het milieu.

En dat is dus niet altijd het geval. Kastomaten uit het Westland belasten het milieu meer dan tomaten die hier met de vrachtwagen uit Spanje naartoe zijn gereden. Een per boot hierheen vervoerde appel uit Chili kost minder energie dan een appel uit de Betuwe die een half jaar in een koelcel heeft gelegen. Niet alleen het transport is namelijk van belang, maar ook de energie die het kost om het voedsel te produceren. Transport speelt wel een rol als je eten met het vliegtuig hiernaartoe aanvoert. Ingevlogen voedsel belast het milieu enorm. Maar een banaan of avocado per schip of vrachtwagen hierheen vervoeren is milieutechnisch gezien niet zo’n punt.

Lokaal voedsel heeft als (milieu)voordeel dat je makkelijker een sluitende kringloop hebt: dus dat de mest van de koeien gebruikt kan worden op de akkers waar de groenten worden verbouwd. Lokaal eten zorgt ook voor meer variatie. Hoe kleinschaliger, hoe meer ruimte er is voor een appel die wat groter of kleiner is, of een keer van een ander ras.

Met het kopen van lokaal eten steun je ook de boer in je buurt, zodat die het landschap kan onderhouden. En jij kunt blijven fietsen en wandelen in een mooi stukje natuur.

Tip 2 Eet biologisch

Net als lokaal eten (ooit was alles wat we aten lokaal!) is ook biologisch eten niets nieuws. Vroeger was alle landbouw biologisch: er werden gewoonweg geen pesticiden en kunstmest gebruikt. De huidige biologische landbouw begon ooit als een tegenbeweging tegen de gangbare landbouwmethode. De omzet van biologisch eten is de laatste jaren flink toegenomen. Consumenten vinden dat biologisch eten meer smaak heeft, gezonder is en beter voor het milieu.

Smaakt biologisch eten beter? Tja, ik vind biologisch eten over het algemeen echt meer smaak hebben. Maar is dat ook zo? Bij groenten en fruit hangt de smaak af van de rijping, versheid, het ras en de bodem. In de gangbare landbouw wordt soms te vroeg geoogst. Dat gaat ten koste van de smaak. Gangbare producten kunnen wel verser zijn omdat de logistiek van grote supermarkten nou eenmaal beter is. Biologische groenten en fruitrassen moeten tegen een stootje kunnen want er wordt niet gespoten met gif. Dat kan ten koste gaan van de smaak. Aan de andere kant durft juist de biologische landbouw vaker te kiezen voor oude rassen. En die hebben dan juist weer meer smaak.

Of biologisch eten gezonder is, is eigenlijk niet te bewijzen. Er zitten niet noemenswaardig meer vitaminen en mineralen in biologische groenten. Op gangbare groenten en fruit blijven wel meer pesticiden achter, en ook al overschrijdt dat geen normen, we weten niet goed wat het effect is van het stapeleffect. Dat er wetenschappelijk nog weinig bewijs is gevonden dat biologisch gezonder is, zou ook kunnen komen omdat er gewoonweg weinig onderzoek naar gedaan wordt.

Tenslotte, is biologisch beter voor het milieu? Tja, de biologische landbouw is vrij van pesticiden en kunstmest, dus beter voor het milieu.

Echter, sommige landbouwwetenschappers zeggen dat biologische landbouw de wereld niet kan voeden omdat er veel meer grond nodig is, omdat de biologische landbouw veel minder per hectare oplevert. Dat zou om 20 tot 50% minder per hectare gaan. Aan de andere kant gebruikt de gangbare landbouw 20% meer energie, vooral door het gebruik van kunstmest. Pesticiden zijn enorm vervuilend en brengen schade toe aan de gezondheid. Die kosten zie je niet terug in een zak aardappelen!

Je kunt je ook afvragen of de gangbare landbouw dan wel de wereld kan voeden. Er gaat een groot deel naar veevoer, er wordt veel verspild, en het leunt op fossiele brandstoffen.

Het is gewoon niet zo simpel, niet alle biologische landbouw is goed en niet alle gangbare slecht. De gangbare landbouw produceert soms ook duurzaam en er is gelukkig steeds meer bewustwording van de milieueffecten.

De consument kiest uiteindelijk. Wil je een megasysteem, dat oplossingen verzint vanuit technologie en vooral veel, goedkoop produceert? Of wil je een systeem dat gelooft in een schonere wereld, voor kwaliteit gaat, verbinding zoekt met de boer die zorgt voor het voedsel?

Tip 3 eet minder vlees

Plofkippen. Megastallen. Het kaalkappen van het Amazonegebied om soja als diervoer te kunnen verbouwen. Een wereld zonder vlees dan maar? Dat betekent alleen ook: geen koeien meer in de wei, geen eieren, geen kaas.

Nog niet zo heel lang geleden waren dieren onmisbaar op boerderijen. De mest van dieren maakte de grond vruchtbaar. Koeien lopen op weiland, waar niets anders dan gras op kon groeien. Varkens aten het afval van de boerderij. Dieren maakten deel uit van het proces.

Het ging goed mis toen de vleesproductie doel op zich werd. Dieren kregen soja, mais, graan dat speciaal voor hun werd verbouwd. Dit proces ging samen met een enorme toename van de vleesconsumptie. Enorme hoeveelheden land, water en voer gaan nu naar het produceren van vlees. Hoe kan dat anders?

Graanmolen

Er is uitgerekend dat je de beschikbare landbouwgrond het meest duurzaam gebruikt als je een combinatie van plantaardig en dierlijke eiwitten ‘’produceert’’. Dus: een beetje dierlijk eten (vlees en zuivel) en voor de rest heel veel plantaardig. De dieren eten dan geen voedsel dat wij als mens ook zelf hadden kunnen eten. Voor de dieren is er dus gras en afval. Gras is beschikbaar op weilanden waar niets anders verbouwd kan worden. Afval is beschikbaar als reststroom van de voedselproductie.

Daarbij speelt nog de belangrijke vraag of mensen überhaupt het recht hebben om dieren te doden om vlees te kunnen eten? Aan de ene kant kun je zeggen dat dat een natuurlijk iets is. Aan de andere kant kunnen wij een bewuste keuze maken om al dan niet te doden. Het is ook niet echt noodzakelijk om vlees te eten.

Mag je een dier gebruiken ten behoeve van jezelf? En als je de keuze maakt om vlees te eten: hoe wil je dan dat er met die dieren omgegaan wordt?

Minder vlees eten is beter voor je gezondheid; sowieso is het beter voor het welzijn van de dieren. Want die kunnen dan gewoon weer in het daglicht in de wei en op het erf rondlopen. Zoals het hoort.

Tip 4 eet geen e-nummers

E-nummers zijn hulpmiddelen die worden toegevoegd aan etenswaren. Zo smaakt je eten beter, is het langer houdbaar of ziet het er lekkerder uit. E-nummers kunnen natuurlijk (zoals het dus ook in de natuur voorkomt), natuur-identiek (nagemaakt in een lab, maar precies hetzelfde als de natuurlijke variant) of synthetisch (in het lab gemaakt en niet te vinden in de natuur) zijn.

De voedselindustrie werd steeds belangrijker. Daarmee kwamen er steeds meer toevoegingen aan ons eten. Om dat een beetje onder controle te houden werd het systeem van E-nummers bedacht. Alleen veilige stoffen waren toegestaan. Toch kregen E-nummers een slechte naam. Dat komt omdat ze steeds meer gebruikt worden, vooral om eten beter en lekkerder te laten lijken dan het is. Dat betekent niet meteen dat het product dus slecht is maar veel voedingswaren worden er kunstmatig een beetje mee opgekrikt. Zo krijg je smaakversterkers in de pastasaus en water met emulgator in de smeerkaas. En zo krijg je dus ook dat de consument de voedingsindustrie en de E-nummers niet meer vertrouwt.

De voedingsindustrie lost dat op door de E-nummers niet meer op het etiket te zetten maar wel de hele naam van het stofje. Bietensap doet het beter dan E 162 (bietenrood). Citroenzuur klinkt beter dan E 330.
Een klein deel van de mensen kan niet tegen bepaalde E-nummers, die hebben een allergie of intolerantie. Het zou kunnen komen omdat de stoffen zijn toegevoegd aan voeding, en niet in hun natuurlijke omgeving zijn. Dus: ze geven klachten juist omdat ze worden toegevoegd. We weten het eigenlijk niet goed. Hoe ons lichaam omgaat met voedingsstoffen is zo complex dat we gewoon lang nog niet alles weten.

Wat we wel weten: over het algemeen zitten er meer nuttige voedingsstoffen en minder E-nummers in eten dat we zelf bereiden. En ook qua smaak gaat niet boven zelfbereid voedsel! Dat overigens dus ook vol zit met E-nummers. Maar die horen er dus van nature al in.

Tip 5 betaal voor je eten

Als je een pak koffie koopt, betaal je meestal niet mee aan een normaal loon voor koffieboeren. Als je kastomaten koopt zit daar geen milieuheffing op. Op een stukje kipfilet zit geen percentage voor dierenleed. Deze onzichtbare kosten zijn er wel, maar jij betaalt ze niet.

Om te zorgen dat iedereen in Europa na de Tweede Wereldoorlog voldoende te eten had, is er een subsidiestelsel in het leven geroepen. Voldoende eten, voor minder geld. Daarin zijn we misschien een beetje doorgeslagen. We doen steeds meer ons best om steeds meer te produceren voor steeds minder geld, ten koste van dier en milieu. Onzichtbare kosten worden nog steeds niet meegeteld. Afvalstoffen verdwijnen ‘’gratis’’ in het oppervlaktewater en de lucht wordt ‘’gratis’’ vervuild met fijnstof en pesticiden. En de voedingsindustrie is hierin helaas kampioen.

Die kosten worden uiteraard ergens wel betaald. Iedereen betaalt mee aan het zuiveren van water, aan het verzwaren van de dijken, aan de subsidies voor de megastallen. Maar eten is zo goedkoper dan het in werkelijkheid is, en de consument kan niet zelf een bewuste keuze maken. Of toch? We kunnen fairtrade koffie kopen, kipfilet met drie sterren, en de kastomaten links laten liggen. Maar ook al doe je dat, dan no betaal je nog mee aan de onzichtbare kosten van de rest van het voedsel.

Moet dan de overheid de producenten verplichten om op hun producten een dierenleedtaks te doen, een verwarmde-kasheffing, een zielige-kipbelasting? Het moeilijk daarvan is: hoe bereken je dat? Wat moet een kilo varkensvlees extra kosten om te compenseren voor hun kleine hok en afgeknipte krulstaart? En, nog moeilijker: wat kost het verdwijnen van dieren- en plantensoorten? Hoe druk je een smeltende ijsberg in geld uit?

De overheid vindt dit eng om te doen. Andersom lukt wel: er gaan miljoenen naar grote bedrijven in de vorm van subsidies. Maar pas als de vervuiler betaalt zou je naar een systeemverandering kunnen gaan.

Dit dilemma is te groot voor de individuele consument. En toch: als jij die fairtrade pindakaas niet koopt gebeurt er niets. We moeten ergens beginnen!

Tip 6, kook zelf!

Zelf koken doen we steeds minder. Afhalen, laten bezorgen en kant-en-klaarmaaltijden in de magnetron stoppen doen we des te meer. Veel kinderen weten niet meer hoe ze een aardappel moeten koken.

Voor de voedingsindustrie valt er meer te verdienen aan bewerkt voedsel. Een kilootje aardappels levert minder winst op dan een kilo aardappelkroketjes voor de airfryer.

Maar: is het erg? Gemaksvoedsel leidt tot grootschalige landbouw, want grote bedrijven kopen van grote boerderijen.

Daarnaast is bewerkte voeding vaak goed voorzien van suiker, zout en vet. Het wordt vooral zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt. Niet per se zo gezond mogelijk. Als je zelf kookt heb je meer te zeggen over wat je eet.

Dat kinderen geen ei meer kunnen bakken heeft ook consequenties. Wie vaardigheden mist om eten te koken, heeft ook geen handvatten om gezond te eten. Als je niet kunt koken heb je minder voedselkeuze. Het is dus niet zo, dat als je zelf kookt, dus gezond kookt. Het is wel zo, dat als je zelf kookt, de keuze hebt om dat al dan niet te doen.

Tenslotte: zelf koken is ook een levenshouding. Je bent zelf actief betrokken bij je eigen keuzes: je kunt eten waar je echt behoefte aan hebt, wat je nodig hebt, wat je lekker vindt. Het is bijna een manier om je te uiten. Het maakt je tot wie je bent. En bovenal is koken gewoon leuk!

Tip 7 kweek zelf je groenten

Er is iets met dat zelf groenten kweken en tomaten in een kas laten groeien. Iedereen lijkt wel een volkstuintje te hebben of mee te doen aan een gezamenlijke tuin.

Al in de middeleeuwen waren er zogenaamde armentuintjes. Landarbeiders kregen die om groente te kweken om te kunnen overleven. Later kregen ook fabrieksarbeiders een tuintje om hun loon aan te vullen. Tuinierende arbeiders organiseerden zich, zo ontstonden volkstuinverenigingen. Steeds meer waren die tuinen ook bedoeld voor recreatie. Waar het doel oorspronkelijk was om het inkomen een beetje aan te vullen met groenten, werd het meer en meer een recreatieve zaak. Het ging steeds meer om frisse buitenlucht, ontspanning, leuke bloemen kweken in plaats van aardappels.

Eind jaren tachtig nam de belangstelling voor een volkstuin af. Verenigingen hadden het imago dat alles er netjes uit moest zien, onkruid gewied, de tuin omgespit. Eind jaren negentig veranderde dat beeld en natuurlijk tuinieren kwam in beeld. Lekker onbespoten eten uit de volle grond!

Eigen groententuin

Nu komt de stadslandbouw op: het idee dat tuinieren in de stad bij kan dragen aan de productie van gezond voedsel. Stadslandbouw zorgt voor kortere ketens van producent naar consument. Er is minder CO2 uitstoot, en mensen worden bewuster. Dat is allemaal waar, maar al dat getuinier zorgt op dit moment voor een bijdrage van 0,2% van de totale landbouwgrond.

Mensen die hun eigen moestuin hebben eten veel en met regelmaat uit hun eigen tuin. Het is lekker, vers, en bovenal is het ‘’gewoon’’ een fijne hobby.

Mensen die een abonnement hebben bij een buurttuin en misschien af en toe meewerken in zo’n gezamenlijke tuin, eten vaker biologisch, en vinden groenten uit eigen tuin ook belangrijk.

We kunnen de moestuinierder zien als stille kracht. Je weet als moestuinierder hoeveel tijd het kost om een groente te kweken. Je weet wat wanneer in het seizoen is, en wat niet. Hoe moeilijk het kan zijn om groenten te telen. Tuinieren is geloven in morgen. Je weet dat je niet in je eentje de wereld kunt redden. Maar zelf tuinieren helpt wel een heel klein beetje.

Tip 8 Gooi niets weg!

Steeds meer komt het besef dat het behoorlijk dubbel is om eten weg te gooien, terwijl er elders in de wereld zoveel honger is. Ook het milieu begint een rol te spelen in de discussie over de voedselproductie. Dat voedselverspilling niet efficiënt is, oneerlijk en niet duurzaam, daar is iedereen het wel over eens.

Cijfers spreken elkaar wat tegen maar feit is dat er enorm veel voedsel wordt weggegooid. Dat begint bij de boer, en gaat door bij de groothandels en supermarkten. Wij als consument doen er nog een flinke schep bovenop.

In ontwikkelingslanden gaat het meeste voedsel vooraan in de voedselketen verloren. Dus gewoon op het veld, tijdens het transport en in de opslag. Bij rijkere landen gaat het vooral in de laatste fase mis: in de supermarkt en bij de consument. Het lijkt een beetje bij onze levensstijl te horen. We willen alleen mooie groente, fruit zonder plekjes. Fabrieken produceren gewoon te veel. Consumenten gooien 1x per week hun karretje vol en gooien alles wat er teveel is aan het einde van de week weg.

Natuurlijk. Als wij hier eten in de vuilnisbak gooien, was dat niet op een of andere manier bij iemand terechtgekomen die honger heeft. Maar: als wij minder eten verspillen, hoeven we ook minder eten te kopen. De prijzen van voedsel zouden dalen, want de vraag neemt af. Dus voedsel wordt bereikbaarder voor een grotere groep mensen.

Dit klinkt logisch maar het is helaas ingewikkelder. Honger gaat niet alleen over de prijs van voedsel, maar vooral ook over de beschikbaarheid ervan. Bovendien zijn kleine boeren helemaal niet gebaat bij lagere voedselprijzen.

Het milieu is wel gebaat bij minder voedselverspilling. Het zou enkele miljarden tonnen CO2 schelen. Het scheelt enorme gebieden aan landbouwgrond en enorme hoeveelheden water. Toch is het ook hier nog maar de vraag of het echt zoveel zou schelen voor het milieu, want het ligt er maar aan waar de consument zijn bespaarde geld dan aan besteedt.

Eigenlijk is verspilling onderdeel van het hele voedselsysteem: voedsel is te goedkoop. De consument hoeft er niet zuinig mee om te gaan. De supermarkten calculeren de verspilling gewoon in: een krat sinaasappels met een paar rotte ertussen weggooien is goedkoper dan de krat uitzoeken… voedsel is een wegwerpproduct geworden.

De lage prijzen van voedsel zijn dus juist het probleem. Als je echt iets wil doen aan de verspilling moet je eten weer echt gaan waarderen. Beseffen dat elke graankorrel, elke aardbei, elke krop sla met zorg is geproduceerd. Met aandacht kopen, koken en eten.

Tip 9 Ga niet op dieet

We zijn te zwaar. De helft in Nederland heeft overgewicht, 15% heeft ernstig overgewicht. Op dit moment gaan wereldwijd meer mensen dood aan overgewicht dan door honger. Moeten we dus op dieet met z’n allen?
Hoe komt het dat we dikker zijn geworden? Voor een groot deel is dat genetisch bepaald. Veel mensen hebben het gen dat zorgt dat we trek hebben in energierijk voedsel. In tijden van overvloed willen we zoveel mogelijk reserves opslaan. Onze hersens werken ook niet echt mee: ze zijn er goed in om met tekorten om te gaan, maar minder goed in het reguleren van het gevoel van honger en verzadiging. Als je eten ziet, krijg je trek. Wilskracht dan? We moeten elke dag een paar honderd eetbeslissingen nemen, dus ook daar houdt het een keer op.

Emoties spelen bij veel mensen bij eten ook een rol. Nare gevoelens eten we weg. Lekker eten zorgt voor de aanmaak van dopamine, dat zorgt dat we ons beter voelen. Suiker en vet zorgen voor minder aanmaak van cortisol, het hormoon dat zorgt dat we stress ervaren.

Wat ook een rol speelt is geld. Als je minder te besteden hebt let je bij aanbiedingen vooral op de prijs, niet op gezondheid. Vette en zoete producten zijn over het algemeen goedkoper dan de gezonde.

Wat uiteindelijk de balans doet doorslaan naar de dikke kant is de obesogene samenleving. We leven in een omgeving waarin altijd en overal eten is. Tegelijk bewegen we steeds minder, doordat steeds meer zaken geautomatiseerd en gemechaniseerd zijn. Overeten is dus een normale reactie op een abnormale omgeving.

Diëten helpt ook niet. De meeste mensen wegen na afloop van een dieet meer dan daarvoor. Je lijf verzet zich, gaat in de spaarstand, wordt zuinig. Als je stopt met je dieet kom je daardoor weer aan.

Wat dan wel? Kansen liggen bij de opvoeding en bij de omgeving. Kinderen zijn nog plooibaar en ontvankelijk voor verandering. De omgeving kan alleen veranderen met hulp van de overheid. Helaas aarzelt de overheid, en werkt dan samen met het bedrijfsleven. Die hebben helaas andere belangen, omdat het uiteindelijk in hun voordeel werkt als mensen teveel blijven eten.

Daarnaast moeten we met elkaar anders naar dik zijn gaan kijken. Dat je dik bent wil namelijk niet vanzelfsprekend zeggen dat je minder gezond bent dan een dun iemand! Een obsessie met lichaamsgewicht maakt alles alleen maar erger. We kunnen het beter hebben over hoe je gezond blijft dan over wat je gewicht is.

Wat kun je zelf doen? Hier ligt de sleutel bij het afleren van aangeleerd eetgedrag. Dat is iets anders dan op dieet gaan! Verander je ongezonde eetgewoontes, haal geen spullen in huis waar je niet van af kunt blijven, mijd frisdrank en sapjes, sluit geen voedingsmiddelen uit en ga zeker niet op dieet!

Tip 10 Eet lekker!

Smaken verschillen! Wij eten geen hond, maar Chinezen eten geen drop. Er zijn ook dingen die bijna iedereen lekker vindt, zoals pizza en pasta. En kinderen moet je wel leren om spruitjes te eten, maar een witte boterham met hagelslag gaat er zo in. Toch is ‘’lekker’’ niet meteen iets objectiefs.

Lekker gaat over smaak en over smaakvoorkeuren. Smaak is een combinatie van wat er gebeurt in je mond (we voelen texturen als hard, romig, krokant, we proeven zoet, zuur, bitter, zout, umami) en in je neus (tienduizenden geuren!). Maar of we die smaak dan lekker vinden, hangt af van waar we wonen, en wie we zijn.

De oermens hield van zoet en vet. Niet zo gek, want die leveren veel energie. Bitter was gevaarlijk. Verder waren en zijn we omnivoren: er is een enorme variëteit in wat we kunnen eten. We proberen graag nieuwe dingen uit, maar zijn er ook een beetje wantrouwig voor. We kunnen daardoor heel goed nieuwe etenswaren en ook vooral afwijkingen daarin herkennen. Als we een keer ziek zijn geworden van eten, dan eten we dat soms jarenlang niet meer. Een keer een verkeerde mossel, en je hoeft het nooit meer!

We hebben ook een voorkeur voor variatie. Als je een kilo bananen eet kan je echt geen banaan meer zien, maar een stukje kaas kan nog wel. Dat heeft ook evolutionair nut: je lijf heeft verschillende voedingsstoffen nodig!

Terug naar ‘’lekker’’. Hoe bepalen we nu wat lekker is in een gerecht? Dat gaat om harmonie en complexiteit.

Harmonie in een gerecht is er als de smaken in balans zijn en in elkaar overlopen. We hebben gevoel voor de juiste balans in zoet, zuur, zout en bitter. Als alles klopt, het gerecht vertrouwd en veilig is, dan noemen we dat comfortfood. Maar ons eten moet ook weer niet altijd saai en voorspelbaar zijn, dus er mag in een gerecht een klein afwijkend iets zitten. Een hete peper, wat bittere blaadjes in een salade, citroen in cake.

Complexiteit in een gerecht is ook belangrijk. Als iets te makkelijk is, te simpel, is dat lekker, maar je bent er ook snel op uitgekeken. Uitdagender zijn smaken waar je even aan moet wennen.

Helaas weet de voedingsindustrie dit ook allemaal. Er worden veel producten aangeboden die makkelijk, snel en comfortabel zijn: veel zout, veel vet, veel zoet. Niet perse de meest gezonde producten zijn het. Ga op je eigen smaak af, en je eigen smaakvoorkeuren. Breng harmonie in een gerecht, mèt een kleine afwijking hier en daar. En kies ook eens iets anders, varieer. Eet vooral lekker!

0 Comments

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *